Lagere arbeidsongeschiktheidsklasse en lagere uitkering
De WAO kent een aantal arbeidsongeschiktheidsklassen waaruit je kunt afleiden hoe groot je restverdiencapaciteit (RVC) maximaal is.
Ben je 80-100% arbeidsongeschikt (AO), dan wordt je geacht niet meer dan 20% van je oude loon te kunnen verdienen. Ben je 65-80% AO, dan is ingeschat dat je maximaal 35% van je oude loon kunt realiseren, met 55-65% is dat 45% enzovoorts. Die inschatting is echter alleen op papier en wordt dan ook de ‘theoretische’ restverdiencapaciteit genoemd.
Stel je wilt proberen om meer uren te werken. Of je kunt bijvoorbeeld een functie krijgen die meer per uur betaalt, maar ook meer energie van je vergt. Mocht je dan daardoor boven het maximale bedrag van je RVC uitkomen, dan val je automatisch in een lagere AO-klasse en gaat je uitkering omlaag. G
Garantie van artikel 44 WAO
Met het voorbeeld hierboven kan het zijn dat je meer hooi op je vork neemt dan UWV denkt dat je aankunt. Het is dus zaak eerst met je arbeidsdeskundige te overleggen of zo’n ‘experiment’ verantwoord is. Is dat oké, dan moet nog blijken of je het werk voor langere tijd kunt volhouden. Lukt het uiteindelijk toch niet, dan kun je de eerste drie jaar terugvallen op je oude WAO-uitkering, aldus artikel 44 WAO.
Werking van artikel 44 WAO
Ga je meer verdienen dan je maximale RVC, dan heeft dat alleen gevolgen voor de uitbetaling van je uitkering. Op papier blijf je in je oorspronkelijke AO-klasse zitten, omdat het nog niet zeker is of je je nieuwe werk kunt volhouden. Bij de uitbetaling van je uitkering wordt echter wel uitgegaan van de nieuwe situatie. Gaat het drie jaar goed, dan wordt je geacht het werk definitief aan te kunnen en kom je ook officieel in een lagere AO-klasse. UWV spreekt dan van een definitieve afschatting. Vóór die tijd, bij de uitbetaling, wordt uitgegaan van een fictieve afschatting.
Zolang je niet definitief bent afgeschat en je valt terug op je oorspronkelijke loon, gaat je uitkering omhoog tot het oude niveau dat hoort bij je officiële AO-klasse. De oorzaak van dat loonverlies is niet van belang. Meestal zal het gaan om de situatie dat je het gewoon niet aan blijkt te kunnen. De oorzaak is dan medisch. Maar je kunt bijvoorbeeld ook door reorganisatie of inkrimping van het bedrijf die extra uren verliezen. Dat maakt niet uit voor artikel 44. Het staat immers nog niet vast of je dat hogere loon blijvend kunt realiseren.
Tijdstip van definitieve afschatting
Om precies te zijn spreekt artikel 44 over een maximale termijn voor definitieve afschatting van drie jaar en een minimale termijn van zes maanden, met uitzondering van arbeid in het kader van de WSW waarvoor geen maximum geldt. UWV zou je dus eerder dan na drie jaar kunnen afschatten. Criterium is dat de twijfel over de duurzaamheid van het nieuwe werk moet zijn verdwenen. Of UWV vaak van die mogelijkheid gebruik maakt, is mij niet bekend.
Verlenging drie-jaars-termijn
Minister Donner van SZW werkt momenteel aan een wetswijziging om de termijn van drie jaar te verlengen tot vijf jaar. Daar had de Tweede Kamer om gevraagd in de motie-Heerts. Deze eventuele wetswijziging gaat alleen gelden voor WAO'ers en WAZ'ers die op 1 juli 2004 45 jaar of ouder waren. Voor Wajongers is de termijn al eerder verlengd tot vijf jaar (artikel 50 Wajong).
Bron: WAO-café - www.waocafe.nl
|