Vragen over het Antifosfolipiden syndroom?
algemene vragen of lotgenotencontact
mail de commissie APS
Door Dr. H.B. de Laat, afdeling Hematologie, Universitair Medisch Centrum Utrecht
De huid (uitwendig) en het darmslijmvlies (inwendig) beschermen het lichaam van de mens tegen virussen en bacteriën. Als er een opening in de huid of het darmslijmvlies ontstaat (beschadiging) kan een bacterie of virus het lichaam binnendringen. Om zich hiertegen te wapenen is de mens uitgerust met een afweersysteem (immuunsysteem).
Dit systeem heeft als taak bacteriën en virussen die het lichaam zijn binnengedrongen onschadelijk te maken voordat ze schade kunnen veroorzaken. Dit gebeurt onder andere door middel van antistoffen. Antistoffen binden specifiek lichaamsvreemde bestanddelen, zoals (delen van) bacteriën en virussen, en maken deze onschadelijk. Antistoffen worden geproduceerd door cellen die deel uit maken van het afweersysteem. Soms maakt het systeem een fout en herkennen deze antistoffen lichaamseigen bestanddelen in plaats van alleen lichaamsvreemde. Dan worden de antistoffen auto-immuun (zelf-afweer) antistoffen genoemd. Het antifosfolipiden syndroom (APS) is net zoals Systemische lupus erythematosus (SLE) een voorbeeld van een auto-immuun ziekte, waarbij dus antistoffen tegen lichaamseigen bestanddelen worden gemaakt. Zoals bij vele auto-immuun ziekten komt APS vaker bij vrouwen voor dan bij mannen. De ziekte openbaart zich meestal tussen het 20ste en 40ste levensjaar.
Het antifosfolipiden syndroom kenmerkt zich door herhaaldelijke episodes van trombose (afsluiting van bloedvaten door verhoogde bloedstolling) en (bij vrouwen) herhaaldelijke miskramen. Deze afsluitingen van bloedvaten kunnen door het hele lichaam voorkomen. Daarnaast kunnen patiënten met het antifosfolipiden syndroom een verlaagd aantal bloedplaatjes (thrombopenie) hebben. Naast deze symptomen moeten er om de diagnose antifosfolipiden syndroom te kunnen stellen ook specifieke auto-immuunantistoffen in het bloed aanwezig zijn. Deze antifosfolipiden antistoffen zijn een groep van auto-immuunantistoffen die middels speciale diagnostische tests kunnen worden vastgesteld.
Antifosfolipiden antistoffen (en daarmee het syndroom) zijn voor het eerst ontdekt bij patiënten met SLE (=secundair antifosfolipiden syndroom). Later kwam men erachter dat het syndroom ook kan voorkomen zonder SLE (=primair antifosfolipiden syndroom). Het is nu bekend dat ongeveer 50% van de patiënten die aan het antifosfolipiden syndroom lijden ook SLE hebben.
Antifosfolipiden antistoffen kunnen op verschillende manieren gemeten worden. Ten eerste kunnen antifosfolipiden antistoffen stollingstijden van stollingstesten verlengen. Omdat dit voor het eerst bij patiënten met SLE is gevonden, wordt dit fenomeen “lupus anticoagulant” (LAC) genoemd. Deze verlenging van de stollingstijd is op zich vreemd want mensen die lijden aan het antifosfolipiden syndroom hebben meer trombose (verhoogde stollingsneiging). Dit wordt dan ook de paradox (tegenstelling) van het antifosfolipiden syndroom genoemd. Ten tweede kunnen antifosfolipiden antistoffen positief testen in een anti-cardiolipine ELISA. In deze diagnostische test worden fosfolipiden (cardiolipine) op een diagnostische plaat (ELISA-plaat) gebonden en de binding van antistoffen aan cardiolipine gemeten.
Voor de jaren 90 werd algemeen verondersteld dat de antistoffen fosfolipiden binden, vandaar de naam antifosfolipiden syndroom. Fosfolipiden vormen het grootste bestandsdeel van de buitenkant van cellen. In 1990 werd bekend dat antifosfolipiden antistoffen niet rechtstreeks fosfolipiden binden, maar eerst aan plasma-eiwitten die op hun beurt fosfolipiden binden. Ondanks de ontdekking dat de antistoffen geen fosfolipiden binden is de naam antifosfolipiden syndroom onveranderd gebleven. Antifosfolipiden antistoffen maken deel uit van een heterogene populatie van antistoffen die verschillende eiwitten herkennen. Voorbeelden van eiwitten die herkend worden door antifosfolipiden antistoffen zijn b2-glycoproteine I, prothrombine, annexine A5, proteïne C en proteïne S. Het is gebleken dat antistoffen die b2-glycoproteine I herkennen, het meest gerelateerd zijn aan klinische symptomen.
De relatie tussen antifosfolipiden antistoffen en trombose is al lange tijd bekend. Hoe deze antistoffen precies trombose veroorzaken is nog steeds niet zeker. Er wordt verondersteld dat antifosfolipiden antistoffen bepaalde cellen, zoals bloedplaatjes en vaatwandcellen, activeren. Hierdoor kunnen de bloedplaatjes zich hechten aan de geactiveerde vaatwandcellen. Als gevolg hiervan ontstaat een stolsel en wordt het bloedvat afgesloten. Hoewel buiten het lichaam (in-vitro) wel is aangetoond dat antifosfolipiden antistoffen bloedplaatjes en vaatwandcellen kunnen activeren, is het in-vivo bewijs (bijvoorbeeld in het lichaam van patiënten) nog niet geleverd.

Hoe vreemd het ook klinkt, een verlengde stollingstijd LAC analyse is het best gerelateerd aan trombose in het antifosfolipiden syndroom. Ondanks dit gegeven geldt voor deze analyse dat veel mensen positief testen maar geen geschiedenis hebben van trombose en/of miskramen. Antistoffen die een verlenging veroorzaken kunnen verschillende eiwitten uit het bloed binden, waaronder b2-glycoproteine I (anti-b2-glycoproteine I antistoffen). We hebben een manier ontdekt om LAC-veroorzakende antistoffen te scheiden op basis van welk eiwit ze herkennen. In een patienten populatie waarvan het merendeel SLE heeft, vonden we een 42,3 maal verhoogde kans op trombose voor patiënten met een b2-glycoproteine I afhankelijke LAC (LAC veroorzaakt door anti-b2-glycoproteine I antistoffen). Een b2-glycoproteine I onafhankelijke LAC gaf een verhoogde correlatie van maar 1,6. Concluderend, door het modificeren van de bestaande stollingsassay kunnen we nu beter die mensen opsporen die een hoog risico lopen op trombose.
