Nationale vereniging voor lupus, APS, sclerodermie en MCTD
Open menu

Diagnose

Vaak kan de diagnose CDLE op grond van het klinische beeld al vrijwel zeker worden gesteld. Bij microscopisch onderzoek van een klein stukje van de aangedane huid, verkregen via een onder plaatselijke verdoving uitgevoerde huidbioptie, kan men de diagnose bevestigen (en andere op CDLE gelijkende huidziekten uitsluiten).

Omdat CDLE en SCLE een eerste uiting kunnen zijn van SLE is het raadzaam dat bij deze patiënten het bloed wordt nagekeken op algemene afwijkingen (zoals bloedarmoede, tekort aan witte bloedcellen of bloedplaatjes, stoornissen van de nier- en leverfunctie) en op het voorkomen van zogenaamde antinucleaire antistoffen (vaak ANA genoemd). Ook de urine dient nagekeken te worden op de uitscheiding van eiwit en van cellen. Bij veel patiënten met CDLE zijn deze ANA niet aantoonbaar, terwijl ze bij meer dan 95% van de patienten met SLE wel aantoonbaar zijn. Bij aanwezigheid van ANA kan men vervolgens kijken tegen welke kernbestanddelen deze antistoffen zijn gericht (bijvoorbeeld dsDNA of SS-A). De meerderheid van de patiënten met SCLE heeft antistoffen gericht tegen SS-A.